Geheiligd leven
De gemeente streeft naar een geheiligd leven, waarin ieder lid groeit in heiliging en elkaar ondersteunt en bemoedigt. We zoeken gezamenlijk naar eenheid en creëren een omgeving waarin kinderen opgroeien in het geloof, terwijl de gemeente een voorbeeldfunctie vervult voor de volgende generaties door zichtbaar te leven naar Gods Woord en Zijn leiding.
Een geheiligd leven vraagt om gehoorzaamheid. Keer op keer roept Jezus ons daartoe op. Al in 1 Samuel 15 vers 22 maakt God duidelijk dat gehoorzaamheid Hem meer waard is dan offers. Onze inzet voor Gods koninkrijk is op zichzelf niet verkeerd, ons werk en onze toewijding hebben zeker hun plaats, maar het gaat verder dan offers brengen alleen. Het raakt aan wie we van binnen zijn en aan ons verlangen om werkelijk naar Hem te luisteren.
Tegelijk is dit geheiligd leven geen voorwaarde voor de redding van onze ziel. Die redding is een geschenk, gegrond in wat Jezus voor ons heeft gedaan. Maar juist wanneer we diep van binnen beseffen wie onze Zaligmaker is en wat Hij heeft volbracht, wordt gehoorzaamheid aan Hem niet meer dan logisch. Het is ons antwoord van dankbaarheid. En vanuit die liefde mogen we elkaar er ook met zachtheid op bevragen en bemoedigen.
Bijbelteksten
De Schriftgedeelten die onder deze pijler liggen.
„Maar zoals Hij Die u geroepen heeft, heilig is, word zo ook zelf heilig in heel uw levenswandel, want er staat geschreven: Wees heilig, want Ik ben heilig.”
„Kleed u dan, als uitverkorenen van God, heiligen en geliefden, met innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraag elkaar en vergeef de een de ander, zoals ook Christus u vergeven heeft. En kleed u boven alles met de liefde, die de band van de volmaaktheid is. En laat de vrede van God heersen in uw harten, en wees dankbaar.”
„Oefen de jongeman overeenkomstig zijn levensweg; ook als hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken.”
„Want zoals het lichaam één is en veel leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, hoewel het er veel zijn, één lichaam zijn, zo is het ook met Christus. Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij dat wij Joden zijn, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn van één Geest doordrenkt. Want ook het lichaam bestaat niet uit één lid, maar uit vele. Als de voet zou zeggen: Omdat ik geen hand ben, ben ik niet van het lichaam, is hij daarom dan niet van het lichaam? En als het oor zou zeggen: Omdat ik geen oog ben, ben ik niet van het lichaam, is het daarom dan niet van het lichaam? Als het hele lichaam oog was, waar zou het gehoor zijn? Als het hele lichaam gehoor was, waar zou de reuk zijn? Maar nu heeft God de leden, elk van hen afzonderlijk, in het lichaam een plaats gegeven zoals Hij gewild heeft. Als zij alle één lid waren, waar zou het lichaam zijn? Nu echter zijn er wel veel leden, maar is er slechts één lichaam. En het oog kan niet zeggen tegen de hand: Ik heb je niet nodig, of vervolgens het hoofd tegen de voeten: Ik heb jullie niet nodig. Ja, meer nog, de leden van het lichaam die de zwakste schijnen te zijn, zijn echter juist noodzakelijk. En aan de leden van het lichaam die wij als minder eervol beschouwen, verlenen wij groter eer en onze oneerbare leden krijgen een grotere eer. Onze eerbare leden echter hebben dat niet nodig. Maar God heeft het lichaam zo samengesteld, dat Hij aan het lid dat tekortkomt, groter eer gaf, opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen. En als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Als één lid eer ontvangt, verblijden alle leden zich mee. Samen bent u namelijk het lichaam van Christus, en ieder afzonderlijk Zijn leden.”
„Vorm geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeenschappelijk met wetteloosheid, en welke gemeenschap is er tussen licht en duisternis? Want u bent de tempel van de levende God; God heeft gezegd: Ik zal in hun midden wonen en onder hen wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn.”